vrijdag 5 maart 2010

Teksten van nieuw leven (1)

Zijn goddelijke macht heeft ons alles geschonken wat nodig is voor een vroom leven, door de kennis van hem die ons geroepen heeft door zijn majesteit en wonderbaarlijke kracht.

Hiermee zijn ons kostbare, rijke beloften gedaan, opdat u zou ontkomen aan het verderf dat de wereld beheerst als gevolg van de begeerte, en opdat u deel zou krijgen aan de goddelijke natuur (2 Petrus 1:3 en 4 in de NBV)


In deze tekst valt me de ruimte op: '...heeft ons alles geschonken...' Het is de ruimte die er is in God, de ruimte die Hijzelf heeft gemaakt en aan ons beschikbaar stelt.

Het is de ruimte van Gods genade, die niet alleen voorziet aan het begin van het christelijke leven, maar die telkens weer voorziet. Het is als het ware een reservoir van genade, door Gods macht bewerkt, dat beschikbaar is gekomen voor hen die geloven.


Een armzalig geestelijk leven behoort volgens deze tekst niet tot de opties, want alles wat je nodig hebt om 'godvruchtig' (nav de vertaling 'godsvrucht' door de NBG) te leven is er. Het ís er.

Let ook op de kwalificatie die deze tekst geeft. Het gaat wel 'door de kennis van Hem die ons geroepen heeft...' Wat mooi. Kennis impliceert een verhouding, een dichtbij elkaar zijn. Dit godvruchtige alles wordt ontvangen in de gemeenschap met God.


Het is daarom niet een bedrag dat in één keer op je bankrekening wordt gestort, en nou, veel succes ermee! Het is meer zoals het manna dat de kinderen van Israël elke dag vers moesten oppakken. Van genade leven maakt geen gearriveerde mensen, die wel eens van de rente zullen gaan leven. De opgeheven hand blijft. Maar er is een volheid van genade en van waarheid in Jezus! En uit deze volheid hebben wij allen ontvangen, genade voor genade. Deze genade blijft stromen.


dinsdag 10 november 2009

Gods plannen eerst

Momenteel ben ik aan het lezen in Blackaby, Een God van nabij.
Een boek dat me niet onberoerd laat. Een boek dat huiswerk meegeeft. Een 'devotional' (meditatief boek) leent zich er eigenlijk al niet voor om in één adem uit te lezen; dit boek al helemaal niet.

We moeten geestelijk verwerken wat we lezen. In praktijk brengen wat we lezen.
Het volk Israël moest 40 jaar in de woestijn blijven, doordat het een kans gemist had. Het had volhard in ongehoorzaamheid, en terwijl ze er vlakbij waren, moesten ze toch weer terug. Dit raakt mij. Hoe vaak hebben wij een afslag gemist? Hoe ver had God ons al kunnen leiden als wij ons hadden laten leiden, als wij sensitief waren geweest voor Zijn stem en gewillig om Zijn plannen te volgen?

Wandelen wij met God? Wandel ik met God?

We hebben zo vaak plannen en dromen over wat wij voor God zouden kunnen betekenen, maar die hebben nul en generlei waarde. Het gaat erom dat wij God om Zijn plannen vragen. Dan zal Hij zich openbaren en laten zien waar Hij aan het werk is. Dat is dan tevens een uitnodiging om daar mee te werken. Wij sluiten ons aan bij waar God bezig is, niet: God sluit zich aan bij onze plannen.

Dit is hard voor het vlees. Het doet me pijn. Het boek confronteert me met mezelf, met mijn eigenwilligheid, eigenwijsheid, vertrouwen op eigen capaciteiten.

Wanneer ik op het kruis zie, zie ik dat daar in de meest radicale zin met de eigen wil wordt afgerekend. Jezus' hele leven was de opoffering van Zijn wil aan die van de Vader.

De verzoeking in de woestijn was erop gericht om Hem van het spoor van de afhankelijkheid af te krijgen, om eer voor Zichzelf te zoeken, om het leven in eigen hand te nemen, om een eigen spoor te gaan. Maar Jezus wees dat alles af. Alleen in de wil van God te zijn, en daarin te bewegen. Is dat elk moment mogelijk?

Een mens leeft niet van brood alleen, maar van élk woord dat uit de mond van de Heere gaat. Dus al Zijn woorden nemen wij serieus. Zijn beloften van voorziening op Zijn tijd, en Zijn bevel tot gehoorzaamheid. Wij kiezen niet zelf de woorden uit, maar laten ons gezeggen. Wij vertrouwen op God, Hij zal voorzien. Daarom vond Jezus het niet nodig om zelf te voorzien.

God is een voorzienend God. Het vraagt vertrouwen en overgave van onze wil aan de Zijne, om het moment te verwachten dat Hij die voorziening ook zal realiseren.

Kunnen en durven wij zeggen: 'Uw wil en Uw tijd is perfect. Openbaar mij Uw plannen.' ?

God legt een woord van Hem in ons hart, als een zaad. Hij laat het uitkomen. Hij neemt het initiatief.

Wanneer wij God gehoorzamen, spreekt Hij weer (Francois Carr).

Het is Gods grote verlangen om met ons te wandelen, van den beginne al. Geloven we dat? Ik probeer het.

zaterdag 31 oktober 2009

Enkele tastingen naar de betekenis van 'De Rust van Hebreeën 4'

Hebreeën 4 spreekt van een rust die (over)blijft voor het volk van God. Je kunt verschillende kanten uit met die rust. Predikers van de Keswick Movement bijvoorbeeld - die ik over het algemeen een warm hart toedraag - passen deze rust toe op het innerlijke leven van een gelovige.

De gelovige wordt in die uitleg geschilderd als een bepaald type, die veel strijd heeft en moeite, en waarom? Omdat hij teveel bezig is met het vertrouwen op zijn werken. Hij is teveel bezig met zijn activiteiten. Maar de volle zegen wordt pas ervaren wanneer de gelovige ophoudt met werken, en in de rust (die beschreven wordt in Hebreeën 4) ingaat. Deze rust kan hier en nu ervaren worden. Wat moet de gelovige dan doen? Geloven. Want: 'wij die geloven, gaan die rust binnen'. Geloven in Christus, en rusten in het volbrachte werk. Laat het werken aan God over, aan Zijn Geest ('Let go and let God...'). Dit even in het kort als weergave van de Keswick-exegese. Ook Andrew Murray zit op die lijn in zijn meditatieve commentaar op het boek Hebreeën (Het Allerheiligste of Ziende op Jezus).

Hoewel die uitleg en toepassing me erg aantrekkelijk lijkt, heb ik toch altijd het gevoel gehad dat er iets niet mee klopte. Mijn exegetische geweten - wat door mijn theologische studie is aangescherpt, mag ik hopen (sommigen zullen prikkend zeggen: toegeschroeid) - zei mij dat er met die rust iets anders aan de hand is, dat het ergens anders over gaat.

Een centrale vraag die we bij dit gedeelte moeten stellen is: over welke rust gaat het? Preciezer geformuleerd: rust waarvan? Als het zou gaan om een rust van vermoeide gevoelens van mislukking, of om een rusten van het 'zelf proberen', dan zou dat uit de context moeten blijken. Echter, er is in de context geen enkele aanleiding om de rust op die manier te typeren.

De schrijver spreekt wel over rusten van werken of werk (vers 10). Wat daarbij erg belangrijk is om te zien dat het hem niet gaat om een afzien of opgeven van werken, in een paulinische zin. Paulus kan over de werken negatief spreken. Hij heeft het dan over de 'werken der Wet' door welke niemand gerechtvaardigd kan worden. Zelf actief proberen rechtvaardig voor God te zijn zal niemand lukken.

Als de schrijver niet het werken in een negatieve zin bedoelt, hoe dan wel? Het gaat hem om een rust die bereikt wordt nadat het werk gedaan is. Het woordje 'katapausis' dat voor rust gebruikt wordt, slaat niet op een soort pauze tussen het werken in, maar is de rust die genoten wordt nadat al het werk gedaan is.[1] Net zoals God rustte van Zijn werk. (Wat overigens wel zo verstaan moet worden dat God rustte van Zijn scheppingswerk; Zijn werk van onderhouding, regering en verlossing ging gewoon door!) "God's rest is not a rest of weariness or inactivity but of finished work." (John MacArthur)

Hierbij sluit goed aan Openbaring 14:13: 'En ik hoorde een stem uit den hemel, die tot mij zeide: Schrijf, zalig zijn de doden, die in den Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen.' (mijn nadruk)

Ook daar wordt duidelijk dat de relatie tussen gelovigen en hun werken niet een spanningsvolle is, maar een positieve. Nu het leven van de gelovigen ten einde is, mogen zij rusten van hun arbeid en inspanningen, en zullen hun werken of daden hen als bekroning volgen.

MacArthur zegt over deze rust onder het kopje ‘It Is Future’: “There is a final rest coming when we will cease from our work. In Revelation 14:13 John says, "I heard a voice from heaven saying unto me, Write, Blessed are the dead who die in the Lord from henceforth. Yea, saith the Spirit, that they may rest from their labors." I believe Hebrews 4:10 is a reference to that final day when we cease from our labors and enter into the presence of Jesus Christ.” (mijn cursivering)

Het zijn in Openbaring ook de werken waartoe de gelovigen worden opgeroepen om die weer te doen: 'Bekeer u en doe de eerste werken.' 'Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God.' 'Ik weet uw ijver...' De situatie van de gemeenten in Openbaring is overigens dezelfde als die van de Hebreeën: moeiten en vervolging vanwege het geloof.

Dat - de prangende situatie van de geadreseerden - vormt eigenlijk het grootste argument om aan de rust van Hebreeën een andere betekenis toe te schrijven dan de 'Keswick-rust'. Heel het boek Hebreeën barst van de dringendheid waarmee de schrijver de lezers op het hart drukt om te blijven volharden.

Deze dringendheid staat tegen de achtergrond van het gevaar van afval. 'Zie erop toe dat niemand van jullie achter zou blijven.' 'Kijk uit dat je niet wegdrijft.' 'Voor wie bewust zondigt, is er geen vergeving meer mogelijk.' De schrijver wist dat zijn lezers in groot gevaar waren. Ze waren o.a. ontmoedigd door de moeilijke omstandigheden, van vervolging en smaad (10:32-33). Dat kun je opmaken uit hoofdstuk 12, waar ze worden aangespoord te zien op Jezus. Die had pas smaad verdragen! En wat een beloning kreeg Hij! Maar jullie, jullie hebben nog niet eens zover weerstand geboden, dat er bloed is gevloeid.

Ook het presenteren van de rij geloofshelden in hoofdstuk 11 is gericht op bemoediging en aansporing. Het is niet bedoeld om een definitie van geloof te geven, maar om de werkzaamheid van geloof in het leven van die 'geloofshelden' te laten zien, en de Hebreeën min of meer op te roepen dezelfde geloofsvolharding te tonen. Het karakter van dat geloof was dat het steevast geloofde op de beloften van God. God had de ouden wat onzichtbaars beloofd, en dat hadden ze in geloof omhelsd. In dat geloof hadden ze volhard. Ze hadden gehoorzaamheid, want ze wisten wat de beloning zou zijn. Nu, dat volhardend blijven geloven was ook voor de Hebreeën van grote betekenis. Ook zij moesten leven in het onzichtbare - hoewel ze meer hadden gezien dan de oudtestamentische gelovigen; ze hadden de vervulling van Gods beloften in Jezus gezien, en zien Die nog steeds (2:8) - en voortgaan totdat het onzichtbare zichtbaar zou worden, het ontastbare tastbaar.

Het beeld ontstaat van pelgrims die door weer en wind voortgaan, op weg naar hun eindbestemming. De Hebreeën zijn mensen onderweg naar hun rust, maar er dreigen mensen af te haken. Zoals in de tijd van Napoleon de grote Armée op weg naar Moskou was. Wie in de ijzige vrieskou bleef liggen, kon er zeker van zijn niet meer levend wakker te worden. Achterblijven is sterven. De moed opgeven is het geloof opgeven.
Dit is niet de kwestie dat mensen kunnen afvallen door te zondigen, maar dat ze moedwillig de moed opgeven. Dan blijft er geen weg meer terug, want men heeft dan zelf de deur dicht gedaan.
Wie het bloed zal vertreden, waardoor hij geheiligd was, zal zijn straf krijgen (10:29).

Nu, zo moet het absoluut niet gaan, vindt de schrijver. Er zijn er wel geweest die zo hebben gedaan (hoofdstuk 6), maar hij is ervan overtuigd dat het bij de lezers niet zover gekomen is. Ze hebben ijver aan de dag gelegd (6:10). Toch blijft de waarschuwing overal klinken: jullie zullen de beloften verkrijgen, mits je blijft in het geloof, mits je blijft volharden. '...blijft dezelfde ijver aan de dag leggen, totdat alles waarop wij hopen verwezenlijkt zal zijn' (6:11). Alleen die geloven, gaan in de rust in.

Het boek wordt voor mij eigenlijk samengevat in het volgende vers:
10:36 Want gij hebt lijdzaamheid van node, opdat gij, den wil van God gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen;
Dat deze 'beloftenis' niet over iets in het aardse leven gaat, blijkt wel uit het volgende vers:
37 Want: Nog een zeer weinig tijds en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven.

Dit terugbrengend bij Heb 4: de rust waar de gelovigen in binnengaan, is een rust die nog uitstaat. Ze zullen deelkrijgen aan deze rust wanneer ze volharden in het geloof. Het is een rust die komt na de inspanningen en moeiten van het leven. Het is een rusten van de werken die door de gelovigen gedaan zijn, en een rusten van de moeiten van buiten op hen afkomen vanwege hun christenzijn.

Het is een objectieve staat van rust. Het is een rusten in het land van de eeuwige Rust, waar het beloofde, de inhoud van het geloofde en het gehoopte, de blijvende stad, genoten wordt. Het is een rusten van het strijden en van het werken. Er is uiterlijk geen aanleiding meer tot moeite. Het is een totale staat van rust. Daarom is het dan ook een rusten met een subjectieve zijde, een innerlijke rust.

Heeft de rust van Heb 4 dan geen implicaties voor ons geestelijk leven nu? Jawel.
1) Evenals de Hebreeën moeten ook wij volharden in het geloof en niet achterblijven. Wij moeten het hoofd niet laten hangen wanneer er beproevingen en moeiten komen, maar het oog gericht houden op Jezus, die ons straks laat delen in de eeuwige rust.
2) Wij mogen van die totale rust straks nu een voorproef hebben, die zich uit in een innerlijke vrede en zekerheid.
Echter, wij moeten dat niet noemen: een binnengaan in de rust. Of wanneer we dat wel zo wensen te zeggen, moeten we niet de pretentie voeren dat we dan over hetzelfde spreken als Heb 4, want dat is bezijden de waarheid.
Wanneer we over de rust van de vermoeide ziel willen spreken, kunnen we ons baseren op Mt 11:28 en Rom 5:1. Dat moet ons genoeg zijn.

[1] Heb 4 geeft twee woorden voor rust: 'sabbatismos' en 'katapausis' icm het werk 'katapauoo'.
"It is important to note that the primary sense of katepausen is that of ceasing from labour, and coming to a state of rest. The two most respected Greek lexicons give the definitions ‘(cause to) stop, bring to an end,’ ‘to cease one’s work or activity, resulting in a period of rest.’ "

Literatuur:
O.a. John MacArthur, 'Entering God's Rest', www.biblebb.com/files/mac/sg1609.htm

woensdag 30 september 2009

Cursus Kampen

Start cursus ‘Geestelijke groei’ in Kampen

De cursus ‘Geestelijke groei’ is bedoeld voor iedereen die verlangt om meer uit Gods rijkdom te leven, en meer te gaan lijken op Zijn Zoon. Thema’s als identiteit en positie in Christus, geestelijke strijd, discipelschap, gekruisigd en opgestaan met Christus, etc. zullen vanuit de Bijbel aan de orde komen. Er is een cursusmap met basislessen beschikbaar.
Introductieavond: donderdag 8 oktober te Kampen.
Meer info en opgeven via efeze413@gmail.com.

Zie ook: http://heartcry.nl/index.php?paginaID=2024

John Kamphuis en Gerrit van Valen

De wil van God doen, kan dat wel?


Wanneer een mens bekeerd wordt, verandert er wat in z'n leven. Hij gaat God lief krijgen, bijvoorbeeld. En hij krijgt een hekel aan de zonde. Een walging aan zichzelf? Dat ook. Maar je dat wel uitleggen, anders kan zo'n uitspraak hele nare psychologische effecten krijgen. Hij gaat zich ook uitstrekken tot het goede. Hij gaat het goede willen. Zijn wil is immers veranderd: vrijgezet uit de gebondenheid waar deze eerst in was, is deze nu omgebogen richting het goede. Het is de wens van de gelovige om God te behagen.

Maar kan hij dat ook werkelijk? Er lijkt een denken te zijn ontstaan binnen de gereformeerde gezindte dat je het goede nog wel kan willen, maar dat er van het doen niet veel terecht komt. ‘Hij wil wel, maar hij kan niet.’ En dan wordt vaak verwezen naar Romeinen 7, waar men meent dat Paulus een dergelijke tweespalt ervoer.

Er schuilt denk ik vaak een schroom achter dergelijke denkbeelden. Een schroom om hardop te beweren dat een mens iets goeds doet, of ook maar iets goeds kan doen. Het is ons immers ingepeperd dat dé mens (als totaalconcept) tot niets goeds in staat is, geneigd tot alle kwaad. Dat is ons zo zwaar op het dak komen vallen dat we het vervolg van het antwoord van de Heidelberger maar zijn vergeten: 'tenzij dan dat wij door de Geest Gods wedergeboren worden.' (HC, Vr/Antw. 8)
Maar wat leren de Dordtsche Leerregels over de effecten van de wedergeboorte? God 'opent het hart, dat gesloten is; Hij vermurwt dat hard is; Hij besnijdt dat onbesneden is. In den wil stort Hij nieuwe hoedanigheden en maakt dat die wil, die dood was, levend wordt; die boos was, goed wordt; die niet wilde, nu metterdaad wil; die wederspannig was, gehoorzaam wordt; Hij beweegt en sterkt dien wil alzo, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen.' (DL, 3/4, art. 11) Er vindt iets grondverleggends plaats in de wedergeboorte. Waar eerst dood was, is nu het leven. Waar stinkende vruchten waren, komen nu goede vruchten voort.

De schroom waar ik het zojuist over had, heeft verder ook te maken met de vrees dat wij onszelf iets goeds zullen toerekenen, met als gevolg dat we in onszelf zouden gaan roemen en onszelf op de borst gaan slaan (maar dan niet het slaan van de tollenaar). Het lijkt wel of er gedacht wordt dat het toeschrijven van een goede daad of eigenschap aan een ander of jezelf, noodwendig betekent dat je 'in de mens eindigt'.

Nu, is de Bijbel er terughoudend in om te erkennen dat de gelovige mens iets goeds kan voortbrengen? Zeker niet. Lees eens het begin van enkele brieven van Paulus om te zien wat hij daar voor roemende taal bezigt (Ef 1:15; Kol 1:3-4, 8; 1 Thess. 1:3; 2 Thess. 1:3-5). Zie ook Openb. 2:19, waar wordt gesproken over úw werken.
Uiteraard roemt Paulus deze gemeenten niet omdat zij dat nu even keurig hebben gedaan. Het is juist opmerkelijk dat hij veeleer God dankt voor de liefde en het geloof die zíj mogen vertonen. Met andere woorden: het komt van God vandaan. Hij werkt de vrucht. Maar vervolgens kan er wel gezegd worden dat de gemeenten die vrucht vertonen. Het zijn hun werken. Wie het anders wil zeggen, smokkelt een deel van het Bijbels spreken weg.

De gemeenten vertonen Gods vrucht. Nu, in dat spoor dan ook verder! Paulus spoort de gemeenten daartoe aan. De gemeente van Efeze moet verder zoeken naar wat voor de Heere welgevallig is (Ef 5,10). Paulus bidt ook voor de Kolossensen dat deze vervuld mogen worden 'met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand; opdat gij moogt wandelen waardiglijk de Heere, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God' (Kol 1,9-10). Men moet Gods wil van harte doen (Ef 6,6).

Dat sommigen niet durven te erkennen dat gelovigen Gods wil (kunnen) doen, heeft ook te maken met een uit elkaar getrokken visie van God en Christus enerzijds en de gelovige anderzijds. Vóór de bekering stonden deze partijen tegenover elkaar. De gelovigen verkeerden in de duisternis (Ef 2), stonden vijandig tegenover God, en waren van Hem vervreemd. Wat zij voortbrachten kon God niet behagen. Maar nu is het anders. Ze zijn nu licht in de Heere geworden, ze zijn in Christus geplaatst, en Christus woont door Zijn Geest in hen.
Dit is het brandpunt van de nieuwe identiteit van de gelovige. De gelovige is in Christus en eigendom van Christus. Christus woont in Hem, en is eigendom van de gelovige. De gelovige mag de hand van het geloof leggen op de weldaden van Christus, dat is: alles wat Hij verworven heeft. Dit is een schokkende waarheid. Het betekent een identiteitsverandering, en het duurt een leven lang om hieraan te ‘wennen’ en hieraan te beantwoorden. Maar het begint bij het geloof: zien dat het zo is. Zien dat we samen met Christus zijn gekruisigd en opgestaan. Wanneer de Heilige Geest ons dit door het geloof leert zien en leert beamen, werkt Hij ook de vruchten van die kruisdood en opstanding in het leven van de heiliging uit.

Echter, deze identiteitsverandering wordt niet in zijn volle rijkdom gezien. Teveel zien velen nog de gelovige vanuit een totaalconcept van de mens, die geheel verdorven is, en heeft men te weinig oog voor de nieuwe identiteit. Teveel plaatst men nog de gelovige tegenover God als twee tegengestelde partijen, die keer op keer verzoend moeten worden. Maar we zijn in Christus, we vallen er niet keer op keer uit! We horen bij Gods ‘partij’! Niet dat God en mens zouden samenvallen, maar wel dat zij in eenheid leven, en dat de gelovige vanuit Christus leeft. De goede werken komen daar vandaan. Gelovigen zijn in Christus Jezus geschapen tot goede werken (Ef 2,10).
Er is geen sprake van een vijandige antithese meer, waarin de mens zou concurreren met God. Daarom is het concurrentiemodel ook verkeerd gedacht. Het concurrentiemodel denkt: het is óf God die het goede doet, óf ikzelf. Vóór de bekering geldt dat. Dan geldt zelfs dat ik helemaal geen goed kan doen. Dus komt al het goede uit God, het is Hij die het doet. Maar na de bekering wordt het anders. De gelovige wordt zelf werkzaam. Niet op zichzelf, niet uit zichzelf, maar wel als levend gemaakte en als iemand die in de levenssfeer van Christus leeft (kortweg: in Christus) actief. De balans van Fil 2,12-13 moet dan ook telkens in het oog worden gehouden: het is God die willen en werken in ons werkt, en wij die daarop werken.

Laat tot slot deze tekst onze gedachten voor een ogenblik bezetten:

Heb 13:21 Die volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijn wil moogt doen; werkende in u, hetgeen voor Hem welbehagelijk is, door Jezus Christus; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

maandag 10 augustus 2009

Lewis over persoonlijkheid en nieuwe natuur

C.S. Lewis heeft in 1944 een aantal radiovoordrachten gehouden, die hij later titelde 'Beyond Personality'. Hierin weet hij rake dingen te zeggen over de verhouding tussen persoonlijkheid en geloof, of persoonlijkheid en de nieuwe mens.

"Een 'aardig mens' zijn, een gezonde, harmonische persoonlijkheid, is een voortreffelijk ding. Wij moeten met alle medische, pedagogische, economische en politieke middelen, die ons ten dienste staan, trachten een wereld voort te brengen, waarin het grootst mogelijk aantal 'aardige mensen' opgroeit, evenals we moeten trachten een wereld tot stand te brengen waarin allen genoeg hebben te eten. Maar al zouden we er in slagen iedereen tot een 'prettig mens' te maken, dan moeten we toch niet menen dat we hun ziel daardoor hebben gered. Een wereld vol prettige mensen, die zelf tevreden zijn met hun prettige aard, die niet verder zien en die aan God de rug blijven toekeren, heeft een even schreiende behoefte aan redding als de ellendigste wereld die zich laat denken; en misschien is ze nog veel moeilijker te redden." (68)

"God is mens geworden met het doel geschapen wezens te veranderen in Zijn kinderen. Hij is niet alleen gekomen om het oude slag mensen te verbeteren, maar om een heel nieuw soort mensen te scheppen." (69)

"Ik heb Christus het voorbeeld genoemd van de nieuwe mens. Het spreekt echter vanzelf, dat Hij veel meer is dan dat. Hij is slechts een nieuwe mens zonder meer, een exemplaar van de nieuwe soort: Hij is dè nieuwe mens. Hij is oorsprong, middelpunt en leven van alle andere nieuwe mensen. Hij treedt uit eigen verkiezing binnen in het geschapen heelal als de drager van de zoè, het nieuwe leven. - Ik bedoel natuurlijk 'nieuw' wat ons betreft; in haar eigen wereld heeft die zoè reeds van eeuwigheid af bestaan. - En Christus deelt dat leven niet mede door overerving, maar door wat ik heb genoemd 'heilzame infectie'. Wie het van Hem ontvangt, ontvangt het door persoonlijke verbinding met Hem. Wij mensen worden alleen 'nieuw' door het 'zijn in Hem'." (74)

"Hoe meer we verlost worden van onszelf en voor zijn rekening komen, des te meer worden we in waarheid onszelf. (...) Eerst als ik tot Christus ga en mijzelf aan zijn persoonlijkheid overgeef, ontstaat er in mij het begin van een persoonlijkheid die ik in waarheid zèlf ben.
Zolang u niet uzelf, uw 'ik', aan Hem hebt overgeven, zult u geen werkelijk 'zelf' hebben." (79)
Ai! Deze rede is hard voor de moderne psychologie en alle zelfhulpboeken om een betere persoonlijkheid te krijgen.

"Wat in u niet gestorven is zal nooit uit de dood worden opgewekt. Als u het van uzelf blijft verwachten zult u op den duur niets anders vinden dan haat, eenzaamheid, wanhoop, verbittering en ondergang. Maar als u het van Christus verwacht zult u Hem vinden en ìn Hem al het andere." (80)

Enkele citaten uit C.S. Lewis, De beeldhouwer en zijn beeld. Gedachten over God en mens (Ten Have, 5e druk, 1991). In het Engels: Beyong Personality, later opgenomen in Mere Christianity (Ned. vert.: Onversneden christendom, 1999)

vrijdag 24 juli 2009

Geloof - zekerheid - groei

De komende tijd wil ik wat meer aandacht aan literatuur over geestelijke groei gaan besteden. Ik richt me vooral op de Nederlandstalige literatuur.

Najaar 2008 verscheen van de hand van Willem J. Ouweneel Geloof, zekerheid, groei (Medema). Dit is een samenvoeging van twee eerder verschenen delen Geloofszekerheid en Geestelijke groei. Deze delen zijn de neerslag van een serie bijbellezingen over deze thema's.

De komende weken wil ik het een en ander uit Ouweneels boek naar voren halen, om het zo ook vruchtbaar te maken voor deze blog, en hopelijk voor een ieder die dit leest.

U kunt zelf uiteraard ook het boek van Ouweneel aanschaffen. Vanwege de spreektaal (uitgesproken lezingen) leest het in elk geval vlot.

Willem J. Ouweneel, Geloof, zekerheid, groei, Medema 2008, 384pp., € 18,95
Overige gegevens: paperback; ISBN10: 9063535449; ISBN13: 9789063535445

donderdag 23 juli 2009

Kort maar krachtig

Je zou dit een kleine gids voor geestelijke groei kunnen noemen. Gericht op nieuwe gelovigen kan dit boekje ook worden gebruikt door langer gelovigen, die een stagnering in hun geestelijke groei ervaren.
Het telt slechts 27 pgs., maar is helder in zijn boodschap: 'Christian maturity is Christ-likeness.' (2) De schrijver, Sinclair Ferguson: een gereformeerde Schotse theoloog en prediker die ik zelf erg hoog heb staan, behandelt groeigerelateerde zaken als voeding, oefening, omgeving en het overwinnen van obstakels bij het groeien. Bij voeding ligt de nadruk op het Woord, de melk waardoor wij mogen 'opwassen' (1 Pe 2,2-3).
Die nadruk op de Schrift komt ook bij oefening (exercise) weer terug. Daarnaast zijn aanbidding en getuigenis & dienst van belang. 'We gain (and grow) in the Christian life by giving away our lives for Christ and to others.' (10) Bij omgeving stipt Ferguson het belang van een geloofsfamilie om je heen aan, en de versterkende werking van Doop en Avondmaal, die eenheid met Christus en gemeenschap met Christus representeren. De wereld buiten valt ook onder groeibevorderende omgeving, omdat het lijden en de beproevingen daarin vallen onder Gods voorzienigheid waardoor Hij ons Christus gelijkvormiger maakt. Als laatste benadrukt de schrijver dat er geen groei is zonder hindernissen. De vijandige drieslag van wereld, eigen vlees en duivel vindt de gelovige tegenover zich, maar hij is daarin niet hulpeloos. Hij heeft immers een wapenrusting gekregen. Tenslotte merkt Ferguson op dat stilstand in het geestelijke leven achteruitgang betekent.
Toegevoegd is een 'spiritual check up' wat kan werken als een geestelijke spiegel. Diverse indringende vragen dienen om jezelf erbij te bepalen of je groeit, en op welke terreinen dat anders kan. 'Neemt mijn vreugde toe?' 'Bid ik en neem ik de gelegenheden om van Christus te getuigen waar?' Schaduwzijde van deze benadering is dat de gelovige op zichzelf teruggeworpen kan worden. Maar het is niet verkeerd om deze vragen voor jezelf te beantwoorden, met in het achterhoofd de wetenschap dat er genade is voor degene die tekortschiet. Genade als kracht die je opricht om het in Zijn kracht te doen.
Ook een lijst van literatuur die een soort basisbibliotheek voor geestelijke groei wil zijn is toegevoegd. Nadeel is wel - maar dat geldt in zekere zin ook voor het boekje zelf - dat het allemaal Engelstalig is.
Ik beveel dit boekje aan, met daarbij de kanttekening dat men het moet nemen zoals het is: een inleidende gids voor nieuwe christenen, en een opfrisser voor oudere christenen. Maar zeker geen uitgebreide verhandeling, die tot op je levensfundamenten boort. Het geeft je huiswerk mee, en werpt je terug op het Woord.

Sinclair B. Ferguson, Healthy Christian Growth, The Banner of Truth Trust (revised ed. 1997, reprinted 2002), 28pp., $2.50 (moet via Den Hertog wel te bestellen zijn)

Jagen naar heiligheid is jagen naar God

N.a.v. conferentie met Paul Washer:

Heiligheid is dat we bepaalde slechte dingen laten staan, om ons uit te strekken naar goede dingen, de dingen van God, sterker nog: God Zelf. Vanuit een verlangen naar en een zicht op Gods heerlijkheid, heiligheid, liefde. Gedreven door passie voor God God zoeken, dat is heiligheid najagen.

We moeten niet zondigen omdat het slecht is of verkeerd, maar we moeten het laten liggen, omdat God iets beters voor ons heeft liggen: Zijn eigen goedheid en genade.

woensdag 15 juli 2009

De Grote Schilder

De laatste tijd ben ik wat aan het klussen in ons nieuwe huis. Tenminste, het huis is oud, maar het moet als nieuw worden. Man man, dat brengt een hoop met zich mee. En dit huis is dan niet eens zo heel erg opknapbehoevend. Eén van de meest voorkomende klusjes is schilderen of verven. Of die twee hetzelfde zijn, weet ik eigenlijk niet. Wat ik wel weet, is dat je niet zomaar aan schilderen toe bent. Er moet eerst een hoop vooraf gebeuren.
Je moet weten wat je wil schilderen en wat niet.
Je moet afplakken wat je niet beschilderd wilt hebben (zoals een raam, waar je in de toekomst zonder hindernissen nog doorheen wilt kunnen kijken).
Je moet de juiste gereedschappen hebben om te kunnen schilderen: afplaktape dus, kwasten, rollers, bakjes, ammoniak, een ladder misschien, en natuurlijk verf.
Voor je begint - en vaak ook tussendoor - is er ruimte om je te ergeren aan wat de vorige bewoner (of de bewoner daarvoor) ervan gemaakt heeft. Sommige dingen zijn te herstellen, andere niet (als er bijvoorbeeld met veel plezier ergens overheen is geschilderd, waar je het niet zonder schade meer vanaf krijgt).
Je moet de boel ontvetten.
Je moet de boel schuren. Sommige plekjes lichtjes, andere plekjes wat harder, omdat daar meer oneffenheden in zitten.
Je moet de plekjes kitten die dat nodig hebben. Ruimte voor de kit maken en opvullen maar.
Je moet het geschuurde weer even ontvetten, en dan afnemen met een droge doek.
Dan lijkt het moment van verven daar te zijn gekomen.
Doel van het verven is dat de boel er beter uit komt te zien dan voorheen, en dat het zo prettig wonen wordt in een frisse omgeving.
Dan ga je de verf roeren en in het bakje gieten, en met vaste hand doop je kwast of roller in het bakje en begin je halen te doen... Niet te geloven, wat een effect!

Of hier geestelijke lessen in zitten? Nou en of. Voordat de Grote Schilder kan schilderen moet er vaak geschuurd worden. Dingen komen aan het licht. Rotte plekjes, waar wij liever overheen schilderen, kunnen niet langer verborgen blijven, anders leveren ze later narigheid op. Ze moeten worden behandeld. Dit moet allemaal plaatsvinden, en het kan soms lang nemen. Maar het is nodig, voor er geschilderd kan worden. En wanneer een professionele schilder dat doet, dan doet hij dat goed. En dan zullen we schitteren en glanzen tot Zijn eer.

Het is eigenlijk net zo als met de Pottenbakker, in dat bekende liedje. 'Kneed mij, Here God. U weet precies hoe ik zijn moet.' Dus: 'Schuur mij, Here God. En verf mij dan met uw goddelijke verf. U weet precies hoe ik zijn moet.'

dinsdag 24 februari 2009

Christus, onze heiligmaking

'Christus, onze heiligmaking.'

Deze uitspraak kom je vaak tegen. Hij is door en door bijbels. Want in 1 Cor 1,30 staat: 'Want uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking en verlossing.' In plaats van heiligmaking kun je ook vertalen heiligheid.
Maar wat betekent het nu dat Christus onze heiligmaking of heiligheid genoemd wordt?

Een antwoord wat ik nog niet eerder gehoord had, vond ik bij Sinclair B. Ferguson in de dogmatische studie The Holy Spirit (IVP, 1996). Ferguson benadert het geloofsleven heel sterk vanuit de vereniging met Christus (union with Christ) in navolging van de Reformator Johannes Calvijn (1509-1564) en met name de Engelse puritein John Owen (1616-1683). Het is de Heilige Geest die de gelovige heeft verenigd met Christus, een geestelijke band heeft doen ontstaan die onverbrekelijk is. Duidelijk wordt bij Ferguson dat die band niet statisch is, maar dynamisch. Dat wil zeggen dat door en via de Heilige Geest, die die band geschapen heeft en in stand houdt, er geestelijk verkeer - om het zo nog even breed uit te drukken - is tussen Christus en de gelovige, waardoor de gelovige gaat 'profiteren' van wat er in Christus te vinden is. Wat heeft dat voor gevolgen voor een visie op en de praktijk van de heiligmaking? Ik citeer Ferguson 'at length':

'In the most fundamental sense, the New Testament views Jesus as the author of sanctification, its pioneer (archegos). Perfect humanity, perfect holiness, is first of all expressed in him. Just as he did not die for himself, but to make the effect his death as propitiation available for us, neither did he live for himself, but to make available to us, by union with him, the sanctification he had accomplished in our humanity. The human holiness that becomes ours through the Spirit has its origin in the holiness wrought out by Christ throughout the course of the incarnation. He has sanctified himself for our sake, so that through union with the Holy One we might be made holy (Heb. 2:10-12), and through participation in the divine nature (i.e. his holiness) expressed in our humanity we might escape the corruption of the world caused by evil desires (2 Pet. 1:4).'

Christus heeft een heilig leven geleid tijdens zijn leven op aarde, zodat wij daarvan de vruchten kunnen plukken. Hij heeft de heiligheid bewerkt, zodat die de onze zou kunnen worden. Maar het in mijn ervaring gangbare Reformatorische antwoord op de vraag hoe die heiligheid de onze wordt, is: evenals de gerechtigheid, door toerekening. Ferguson heeft een ander antwoord. Het is de Geest die het uit Christus neemt en het in ons werkt. De heiligheid krijgt ook werkelijk gestalte, landt ook werkelijk in ons leven.

'The only resources for such sanctification are in Christ. Our sanctification is Christ's sanctification of himself in our humanity progressively applied to and realized in us through the ministry of the Holy Spirit. It is in this sense that Paul says that 'Christ Jesus . . . has become for us wisdom from God - that is, our . . . holiness' (1 Cor. 1:30). In the words of Hebrews, 'Both the one who makes men holy and those who are made holy are of the same family' (ex henos, i.e. 'are of one', Heb. 2:11). Sanctification can be ours only by means of the resources of Christ, brought to us through the Holy Spirit as he takes what is Christ's, reveals it to us, and thus conforms us more and more into his likeness, from one degree of glory to another, as we gaze on the glory of the Lord (2 Cor. 3:18).'

Wat mij betreft verdient deze visie de voorkeur boven een statische visie op heiligheid in Christus, zoals je die tegen kunt komen in uitspraken als 'we zijn toch in Christus heilig; in Christus ben ik volmaakt, maar in mezelf onheilig.' Dat laatste houdt geen rekening met de fundamentele eenheid die we met Christus hebben dankzij het verbindende werk van de Heilige Geest, en evenmin rekent het met de noodzaak dat die heiligheid in ons gestalte moet krijgen, en ook kan krijgen, vanuit de bediening van de Heilige Geest. Deze brengt ons telkens weer terug bij waar we moeten zijn: de schatten, zegeningen, weldaden, goederen (resources) van Christus, die de onze zijn en die we ook werkelijk kunnen ervaren.

N.a.v. Sinclair B. Ferguson, The Holy Spirit, Serie: Contours of Christian Theology, IVP 1996, p. 142-44.

dinsdag 7 oktober 2008

De volheid van de Geest (6) : Hoe wij vervuld worden met de Geest

Hoe komen wij aan de vervulling met de Heilige Geest?

Verwachtingsvol gebed (Hand 1,4-8).

Celgroepen in een reformatorische kerk in Zuid-Afrika

Gesprek met Ds. Dirkie van der Spuy over celgroepen in Moreletapark

De vrouw in wiens huis wij in Pretoria mogen verblijven had voor mij een afspraak geregeld met ds. Van der Spuy. Hij is één van de predikanten van de grootste Nederduitsch Gereformeerde Kerk: Moreletapark, een gemeente met 7.000 leden. De vraag is: hoe houd je zo'n gemeente levend, betrokken, fris, groeiend? Ds. Dirkie heeft het antwoord...
Nadat ik door de assistent van ds. Dirkie was binnengelaten, verwelkomde hij mij, vroeg mij te gaan zitten, en begon meteen een formulier in te vullen met mijn naam, telefoonnummer en emailadres. Daarna stelde hij vele vragen. Wat ik in Zuid-Afrika deed, wie mijn contact was, hoe ik tot bekering was gekomen, wat mijn passie was, hoe het geestelijk leven in de Nederlandse kerk was, hoe wij thuis vroeger huisgodsdienst hielden.
Daarna vroeg ik hem over de celgroepen in NG gemeente Moreletapark. Hij vertelde hoe het begonnen was, dat ze als gemeenteleiding op zoek waren gegaan (in 1988 of omtrent) naar een verbetering van het peil van het geestelijk leven van de kerk. Ze hadden dit in allerhande dingen gezocht, maar niet gevonden. Dingen zoals stille tijd verbeteren, evangeliseren, leiderschapstrainingen brachten allemaal om een of andere reden niet wat ze zochten. Toen ontdekten ze in de Bijbel een belangrijke sleutel voor geestelijke groei, namelijk de kleine groep, waarin de koinonia, de gemeenschap der heiligen, beoefend werd. In het Nieuwe Testament kenden de mensen van de christelijke gemeente elkaar, kwamen ze bij elkaar, deelden zij dingen met elkaar, was er onderlinge liefde en zorg, droegen ze elkaars lasten. Zoiets wordt pas mogelijk wanneer je op kleine schaal bij elkaar bent, en elkaar regelmatig ziet. Zo begonnen ze kleine groepen te vormen binnen de gemeente. Dit werkte. De gemeente begon te groeien, zowel in de diepte als in de breedte. Want het naar elkaar omzien trok andere mensen aan.
De grootte van de groep is circa 3 tot 8 gezinnen (slechts om de grootte aan te geven; niets ten nadele van alleenstaanden). Deze broeders en zusters komen op wekelijkse basis bij elkaar thuis. De nadruk ligt op het naar elkaar omzien, dus vragen naar elkaars situatie, daarin helpen en voorbede doen. Ook wordt er bijbelstudie gedaan, maar men wil vermijden dat het alleen hier om zou gaan. Voor de studie zijn vragen beschikbaar, die door een centrale commissie worden voorbereid. In de groep zijn op een natuurlijke wijze leiders aangewezen. Deze worden als het ware door de groep via gebed ontdekt, of dienen zich spontaan aan. De cel- of ‘omgeegroep’ biedt een ideale context om de geestelijke gaven te ontdekken en uit te oefenen. In een grote massa zou het gewone gemeentelid verdwijnen. Binnen een eredienst is het ook lastig om gaven als hulpvaardigheid uit te oefenen. Voor de duidelijkheid: de zondagse eredienst blijft gewoon bestaan. Het is niet of-of, maar en-en.
Om te voorkomen dat de groepen weggroeien van de grote kerk, wordt er goed toezicht gehouden. De leiders hebben contact met voogden, de voogden met herders, de herders met ds. Dirkie, die de celgroepcoördinator is. In de grote eredienst is er gelegenheid voor getuigenis vanuit de celgroepen. Volgens ds. Dirkie leidt de vorming van kleine groepen niet tot extra tegenstellingen binnen de kerk, of tot een wegdrijven van de groep van de kerk omdat ze eigen ideeën gaat ontwikkelen, of aan zichzelf genoeg heeft. De groepen versterken de kerk, omdat de warmte en enthousiasme die men onderling ervaart, afstraalt naar het grotere geheel. Het mogelijk misbruik van een goed concept sluit het goede gebruik niet uit.
Wil een kerk geestelijk volwassen worden, niet alleen groeien in de breedte maar ook in de diepte, dan is het nodig dat elk lid zijn door de Geest gegeven gave uitoefent. De meeste gaven hebben een kleine groep nodig om zichzelf te verwezenlijken. Kortom: een kerk die wil groeien naar geestelijke volwassenheid heeft celgroepen nodig waarbinnen de gemeenschap der heiligen zich kan ontplooien.
Aan het eind nodigde de dominee me uit om eens een avond in zo’n groep mee te maken, welke uitnodiging ik graag aanvaarde. We hebben alleen nog geen concrete datum afgesproken, en het zal in verband met de zomervakantie ook lastig worden.

Ik kan de reformatorische kerken in Nederland, waaronder onze Mattheüskerk in Utrecht, het concept van de kleine groep die regelmatig bijeenkomt alleen maar aanraden. Het zal de gemeenschap bevorderen, en daarmee nieuw leven geven.

zaterdag 16 augustus 2008

Kol 1,28 : iedereen tot volmaaktheid in Christus brengen.

Graag zet ik mijn handtekening onder de volgende woorden van Paulus:

Strijd in dienst van Christus

24 Ik ben blij dat ik nu voor u lijd en dat ik in mijn lichaam mag aanvullen wat er nog aan Christus’ lijden ontbreekt, ten behoeve van zijn lichaam, de kerk,
25 waarvan ik de dienaar ben. Met het oog op u heeft God mij die dienende taak toevertrouwd, opdat zijn boodschap in al haar volheid verkondigd wordt:
26 het mysterie dat in alle eeuwen en voor alle generaties verborgen is geweest, maar nu aan zijn heiligen onthuld is.
27 Aan hen heeft God bekend willen maken hoe glorierijk dit mysterie is voor alle volken: Christus is in u, hij is uw hoop op goddelijke luister.
28 Hem verkondigen wij wanneer we iedereen waarschuwen en in alle wijsheid onderrichten, om iedereen tot volmaaktheid in Christus te brengen.
29 Daarvoor span ik mij in en strijd ik met zijn kracht, die volop in mij werkzaam is.

Wie tekent er mee?

Luister hier naar een preek over de woorden uit vers 27 'Christus in u' van ds. Etienne Maritz.

De volheid van de Geest (5) : Vervulling en vernieuwing

Twee andere kerntaken van de Geest zijn vervulling en vernieuwing.

De Geest vervult
Ef 5,18 - Bedrink u niet, want dat leidt tot uitspattingen, maar laat de Geest u vervullen.

Met de uitstorting van de Geest kwam Hij in volheid beschikbaar voor iedere gelovige. Iedere gelovige krijgt deel aan de Geest wanneer hij Christus aanneemt. Hij wordt dan ook gedoopt in/met de Geest. Zoals de waterdoop een intreden is in een nieuw leven, betekent de doop met de Geest dat men wordt ingelijfd in het volk van Jezus. De doop is een nieuw begin: men maakt krachtig kennis met de Heilige Geest. In Handelingen worden overal waar de rivier van de Geest zijn doorgang vindt mensen door die stroom meegesleurd: dat is hun Geestesdoop. Zij worden helemaal met de Geest vervuld. Deze doop is de eerste keer dat zij zo vervuld worden; zij lopen helemaal over.
De vervulling met de Geest is in zekere zin een herhaling van wat er tijdens de Geestesdoop plaats heeft gevonden. Het is een hernieuwing van de Geestesdoop. Maar juist omdat het een hernieuwing is, ontbreekt daar het unieke, kennismakende karakter van de doop met de Geest aan, die die doop zo'n grote kracht verleende.
Waarmee verult de Geest? Met Gods aanwezigheid, met Gods heerlijkheid, met Gods kracht en met Gods liefde. Het is God die de gelovige door Zijn Geest met Zichzelf vervult. Het is niet de bedoeling dat de gelovige deze genadige geschenken voor zichzelf houdt. Juist blijkt in Handelingen dat de vervulling met de Geest leidt tot getuigen. Het is een bekrachtiging tot dienst.


De Geest vernieuwt

Wanneer er een hemelse gast in ons hart woont, zal dat tot openbaring komen. Het zal merkbaar zijn dat God in ons leven is gekomen. Het is geen gast die vriendelijk glimlachend op zijn stoel blijft zitten, maar Iemand die invloed wil uitoefenen in ons hart. De Geest is de onzichtbare persoonlijke kracht die orde gaat aanbrengen in de chaos van ons leven. Hij wijst ons genadig en voorzichtig de zonde aan, en leidt ons naar het kruis. Hij leidt ons naar Christus. Vanuit diens opstanding valt vernieuwing te verwachten. De Geest is de kracht waardoor Christus op kon staan, en diezelfde Geest werkt nu in ons. Wat een vernieuwing zal dat opleveren! Wanneer we ons maar door die hemelse gast lieten leiden. Hij vernieuwt ons tot het evenbeeld van Christus. Worden we betere mensen nadat ze tot bekering zijn gekomen? Ik meen van wel.


De Geest leidt

De kinderen van God zijn herkenbaar aan dat zij zich door de Geest laten leiden (Rom 8,14). Dat wil zeggen: zij laten zich door Hem gezeggen. Hij openbaart Gods wil, op grond van Gods Woord en het leven van Jezus, en leert ons die wil van harte volgen. Wanneer wij door de Geest wandelen, dan wordt wat de Wet eist in ons vervuld (Rom 8,4). Hoe wonderlijk! Niet dat wij ons uitstrekken om zelf de Wet te vervullen. Wij strekken ons uit naar de Geest van Christus, die (de Geest) ons bij de Wet houdt en in ons de Wet vervult.


Goede literatuur is John Stott, Doop en vervulling met de Heilige Geest, Novapres Hoenderloo.

dinsdag 24 juni 2008

De volheid van de Geest (4) : De Geest van Christus

Dat de Geest de Geest van Christus is, en Christus en de Geest haast vereenzelvigbaar zijn, valt op te maken uit

Rom 8 : 9b U laat u leiden door de Geest, want de Geest van God woont in u (...) 10 Als Christus echter in u leeft ...

Wanneer we het hebben over de volheid van de Geest, dan hebben we het over de volheid van Christus. De Geest is het die de volheid van Christus present stelt, ertoe toegang geeft.

De Geest is een eigen Persoon (Jezus noemt Hem de andere trooster/pleitbezorger), heeft ook een eigen persoonlijkheid. Toch wil Hij de persoonlijkheden van Vader en Zoon vooral vertegenwoordigen, present stellen.

Wat is met name het werk van de Geest met betrekking tot Jezus?
  • Vertegenwoordigen
  • Hij vertegenwoordigt de Zoon en getuigt van Hem.
    Joh 15,26 - Wanneer de pleitbezorger komt die ik van de Vader naar jullie zal zenden, de Geest van de waarheid die van de Vader komt, zal die over mij getuigen.

  • Verlichten
  • Hij wordt de Geest van de waarheid genoemd (Joh 14,17). Hij leidt in de volledige waarheid (Joh 16,13). Hij kent immers de diepten van God (1Kor2). Hij verlicht het hart (Ef1,17-18) en vult het met kennis van Christus.

  • Verheerlijken
  • Hij verheerlijkt Christus. Hij leidt tot Christus' rijkdommen en prijst die voor onze ogen en oren aan.
    Joh 16,14 - Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen (SV).

  • Verbinden aan Christus
  • De Geest brengt gemeenschap met Christus tot stand. Hij opent het hart, brengt de mens onder Christus' heerschappij, en maakt gaandeweg de band steeds nauwer, zodat het steeds meer werkelijkheid wordt: zonder Mij kun je niets doen (Joh 15,5).

maandag 23 juni 2008

Van zelfhandhaving naar ontvankelijkheid

'Spirituele groei houdt in dat de grondhouding van zelfhandhaving geleidelijk overgaat in een grondhouding van vertrouwensvolle overgave.'

Ph. Troost, Christus ontvangen. Gereformeerd en charismatisch: leren van elkaar (Kampen: Kok 2006) p.128-129.

Een verschil dat alles uitmaakt: bij jezelf blijven of in Hem gevonden worden.
Geestelijke groei heeft dus iets te maken met van jezelf weggroeien, tenminste, voor zover 'jezelf' het vleselijke pogen om op eigen kracht je leven op te bouwen betreft. En groeien naar Iemand die meer kaas heeft gegeten van hoe een mens zegenrijk en bloeirijk kan leven.

Goed boek trouwens, dat van Troost.
.

dinsdag 27 mei 2008

De moeilijkheid

Al het gepraat over volheid en rijkdom kan het gevoel oproepen: wee mij! moet ik dat allemaal gaan leren kennen? Je kunt overweldigd worden door de grootheid van God, maar tegelijk machteloosheid voelen bij de gedachte dat dit allemaal door jou ervaren of gekend zou moeten worden.
Ik denk dat dit niet de bedoeling is van God. Zijn bedoeling is dat we samen met alle heiligen de lengte, breedte, hoogte en diepte leren zien van Gods heil en de liefde van Zijn Zoon. Dat is een fantastische uitdaging! Laat het niet vermoeiend op ons overkomen, maar verfrissend, bemoedigend, aansporend, inspirerend, kracht gevend!
Een gedeelte van die heiligen leeft in onze omgeving: in de gemeente waar wij deel van uit maken. In de gemeenten zijn geestelijke gaven van verschillende soort aanwezig, wat de bedoeling heeft dat de leden van de gemeente elkaar aanvullen. Ook in het kennen en doorgeven van de volheid van Christus en de Geest. Niettemin zullen sommige weldaden van Christus en sommige zegeningen van de Geest meer worden gekend en benadrukt dan andere. Moeten we hier moeilijk over gaan doen? Meten we gaan eisen dat in elke gemeente het totaal van Gods weldaden in al zijn geledingen op alle tijden evenveel aandacht krijgt? Dat lijkt me een onmenselijke en onchristelijke opgave. Laten we de ruimte houden om gezond onevenwichtig te kunnen zijn. Het gaat nu eenmaal zo in de kerkgeschiedenis in het groot en in het klein dat soms de nadruk hier op ligt en soms weer daarop. Niettemin mag bij dit alles de balans in de gaten gehouden worden. Maar ook in evenwichtigheid kunnen we doorschieten! Dan wordt alles zo saai, staat het enerzijds tegenover het anderzijds, wordt er niets meer ondernomen, wordt de prikkel overal uit gehaald.

Ef 3,14 Daarom buig ik mijn knieën voor de Vader,
15 die de vader is van elke gemeenschap in de hemelsferen en op aarde.
16 Moge hij vanuit zijn rijke luister uw innerlijke wezen kracht en sterkte schenken door zijn Geest,
17 zodat door uw geloof Christus kan gaan wonen in uw hart, en u geworteld en gegrondvest blijft in de liefde.
18 Dan zult u met alle heiligen de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte kunnen begrijpen, 19 ja de liefde van Christus kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid.

donderdag 22 mei 2008

Leerdienst als oefenplek om geestelijk volwassen te worden

Graag wil ik doorgeven wat een broeder in het ND schreef. Volgens mij zitten we wel op een lijn, als ik het zo eens lees.

" (...) De nieuwe leerdienst is een mooie plaats om dat leren zelfdoen een plek te geven. Wanneer de dienst over bidden gaat, horen we niet alleen een preek over het gebed, maar worden we ook met elkaar aan het bidden gezet. Een gebedstijd in kleine groepjes of één waarbij iedereen die wat op zijn hart heeft, op kan staan om een gebed uit te spreken. Of er wordt vooraf aan een paar gemeenteleden gevraagd om in de dienst te bidden.

Als de leerdienst over de geloofsbelijdenis gaat, leren we als gemeente ons geloof te belijden. De geloofsbelijdenis die normaal door de predikant wordt uitgesproken wordt nu door gemeenteleden gedaan. Dat kan ook door het uitspreken van een geloofsbelijdenis in eigen bewoordingen of een getuigenis. (
...)

Aanbidding heeft ook een belangrijke plaats in het leren kennen van Gods heil. Het 'halleluja' uit de Psalmen betekent in het Nederlands letterlijk 'Prijst God!' Daar worden we toe opgeroepen. God laat zijn heil zien aan wie Hem lof offert en eert (Ps. 50:23). Een beter zicht op Gods heil krijgen we dus niet alleen door een goede uitleg ervan, maar ook door het aanbidden van God, vanuit ons hart en met onze mond.

Om tegen allerlei vreemde leringen bestand te zijn, is het ten slotte nodig op te groeien tot de volwassenheid in Christus. Dat kan als iedereen in de gemeente steeds meer wordt toegerust en gebruik gaat maken van de gaven die God gegeven heeft (Efeze 4). Het is belangrijk dat die gaven in de samenkomst van de gemeente worden ingezet. Zo kunnen ze worden ontdekt, uitgeprobeerd, kunnen ze groeien en verder ontwikkelen. Het doel is Christus leren kennen door te blijven in de waarheid en elkaar lief te hebben.

In Hebreeën 6 worden we aangespoord niet steeds bij het leren van de eerste fundamenten te blijven, maar juist door te groeien naar de volwassenheid in Christus. De catechismus als leidraad voor het leren van de gemeente heeft zeker zijn betekenis, maar is niet voldoende. Die blijft juist jaarlijks bij dezelfde eerste fundamenten stilstaan. Doorgroeien in Christus met de Heilige Geest als leraar, is wat God graag wil (Joh 16:12-15)."

Erik Koning (CGK Deventer), ND van vrijdag 16 mei 2008. Lees hier het volledige stuk.

Wat hij kernachtig verwoordt, is het principe dat we groeien in geestelijke volwassenheid als we de dingen niet alleen horen en snappen, maar ook daadwerkelijk in praktijk brengen. Dat we zelf verantwoordelijkheid gaan dragen voor dingen. Dat we niet alleen hoorders zijn, maar ook sprekers en daders. In de weg van bidden, van getuigenissen geven, van vragen stellen, van bemoedigen, vindt de stroom van het Evangelie een weg door ons heen, en dat zal ons verdiepen. Het inzetten van de gaven is gericht op de stichting van de gemeente, en in het inzetten zullen we merken dat ook wij gesticht worden.

dinsdag 20 mei 2008

De volheid van de Geest (3) : Persoon, kracht en gave

Wij moeten de ene dimensie van de Geest niet in concurrentie brengen met de andere dimensie.

De Geest is zowel Kracht als Persoon. Als Persoonlijke Kracht is Hij de PK van elke gelovige. Wij moeten Hem niet magisch benaderen, als een onpersoonlijke kracht waar we met een druk op de knop over kunnen beschikken, die we kunnen controleren. We moeten Hem ook niet ongelovig rationeel benaderen, alsof Hij niet tot grote daden Gods in staat is.

De Geest is de gave van God. Hij is de beloofde gave van de nieuwe tijd. Hij is het voorschot op het eeuwige leven. Hij overbrugt de tijd tussen de nog niet voltooide gestalte van het Koninkrijk nu en de volmaakte gestalte van het Koninkrijk straks. Hij helpt ons in die spanning te leven en staande te blijven. Als voorschot is Hij ook voorsmaak van het eeuwige leven.
  • Verblijven en vertroosten
    Jh 14,16 - Dan zal ik de Vader vragen jullie een andere pleitbezorger [SV: Trooster] te geven, die altijd bij je zal zijn: 17 de Geest van de waarheid. De wereld kan hem niet ontvangen, want ze ziet hem niet en kent hem niet. Jullie kennen hem wel, want hij woont in jullie en zal in jullie blijven.

  • Versterken
    Hand 1,8 - Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.

vrijdag 16 mei 2008

De volheid van de Geest (2) : Zijn veelzijdig werk

Wat doet de Geest met ons?

Verschonen - Hij geeft ons deel aan de afwassing van onze zonden door het bloed van Jezus
Verheerlijken - Hij richt de schijnwerpers op Christus
Verblijven - Hij woont in ons als de presentie van God. Hij vertegenwoordigt Vader en Zoon
Vernieuwen - Hij maakt ons nieuw, herstelt het beeld van God in ons
Vervullen - Hij vervult ons met zichzelf
Verlichten - Hij verlicht ons verstand en leert ons goddelijke wijsheid
Versterken - Hij bekrachtigt ons tot dienst, stelt ons tot grote dingen in staat
Vertroosten - Hij is de helper/trooster, die ons bijstaat, en voor ons bidt
Verbinden - Hij is de grote Bruggenbouwer (in tegenstelling tot Diabolos), die God en mensen, en mensen onderling verbindt

Kortom, Hij is de Auteur van een veelkleurig werk.

De volheid van de Geest (1) : Teksten

Enkele teksten over de gave van de Heilige Geest en Zijn volheid

Jh 3,34 - Hij die door God gezonden is, spreekt de woorden van God, en God schenkt de Geest in overvloed.

Lk 11,13 - Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie hem erom vragen.

Hd 7,55 - Maar vervuld van de heilige Geest sloeg Stefanus zijn blik op naar de hemel en zag de luister van God, en Jezus, die aan Gods rechterhand stond.

Ef 3,18 - Bedrink u niet, want dat leidt tot uitspattingen, maar laat de Geest u vervullen.

De volheid van Christus (5) : Hoe wij die krijgen

Hoe krijgen wij die volheid van Christus nu in de ervaring?

Allereerst moet gezegd worden dat wij geen weldaden van Christus ontvangen wanneer wij geen deel aan Hem hebben. Wij krijgen deel aan Hem door de Heilige Geest en het geloof. Het geloof legt de hand op Christus, de Heilige Geest brengt deze verbinding tot stand. Het geloof ontvangt Christus en al Zijn weldaden.
Tot geloof in Christus komen wil dus zeggen: van Christus worden en Hij van ons; in vereniging met Christus komen. De eenheid die zo ontstaat is onbreekbaar sterk. Het is de gemeenschap met Christus.
Deze gemeenschap is zowel objectief als subjectief. Dat wil zeggen: het heeft een kant, die niet direct ervaren wordt, maar er wel is; en het heeft een ervaringskant.

De Heilige Geest zoekt ons steeds nauwer aan Christus te verbinden, steeds meer gemeenschap tussen ons beiden te stichten. De Geest is het kanaal waardoor Jezus zelf en Zijn goedheden naar ons toe komen. Zo spreekt het doopformulier bijvoorbeeld over de wens en de functie van de Geest: '…en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toe-eigenende hetgeen wij in Christus hebben, namelijk, de afwassing onzer zonden, en de dagelijkse vernieuwing onzes levens…'
En de Catechismus, in vr/antw 53 zegt over de Heilige Geest: '…Ten tweede dat Hij ook mij gegeven is, om mij door waar geloof aan Christus en al zijn weldaden deel te geven…'

Het geloof oefent zich om op Christus te rusten, maar ook om Hem te ontmoeten vanuit wat over Hem geopenbaard is in de Schrift. Daar wordt duidelijk wat Zijn volheid omvat. Het geloof zoekt in Christus' volheid te vinden wat het voor het dagelijks leven nodig heeft. Daarbij valt te denken aan de dingen die boven onder de weldaden zijn opgesomd.

Hoewel alle heil en goedheid en leven in Christus is, is het het doel van de Geest om dat in ons uit te werken. Het goede blijft niet hoog opgetast in Christus liggen, maar wordt in ons overgebracht.

Wij mogen zeggen: alles in Christus is van ons. Tegelijk moeten wij het nog ontvangen!

Tot slot deze uitspraak, die men als aansporing moet lezen: 'De volheid en rijkdom van een geïntegreerd geestelijk leven is geheel afhankelijk van een vol antwoord op de volheid en rijkdom van Jezus Christus.' (Overduin, Worden als een man, p56)

dinsdag 13 mei 2008

De volheid van Christus (4) : Wat het omvat

Christus en al Zijn weldaden

Efeze 1,3 Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in de hemelsferen, in Christus, met talrijke geestelijke zegeningen heeft gezegend.

De gereformeerde belijdenis spreekt over ‘Christus en al Zijn weldaden’. Hier klinkt iets door van de volheid die er in Christus is. Hoewel Christus absoluut niet van Zijn weldaden te scheiden is, wil ik deze wel graag in onderscheiding behandelen.

‘Christus…’

Het gaat ons om de persoon van Christus. Met Hem zijn wij verbonden. Hij is ons eigendom, wij zijn Zijn eigendom (beide aspecten zitten in vr/antw 1 van de HC). Wij hebben deel aan Hem, en delen zo in Zijn weldaden. Maar het gaat ons allereerst om Hem als het Leven zelf. De gaven die Hij geeft hebben niet de hoogste prioriteit.
Wat is er in Hem dat ons aanspreken kan? Er is een volheid aan deugden of voortreffelijkheden die ons tot aanbidding kan brengen. Jezus is
  • rechtvaardig
  • zachtmoedig
  • majestueus
  • nederig
  • genadig
  • wijs
  • machtig
  • waar
  • gehoorzaam
  • liefdevol
  • heerlijk

Hij is de Leeuw maar ook het Lam. Hij is verheven en nabij. Hij regeert en Hij dient. Jonathan Edwards zegt dat Jezus eigenschappen in zich draagt die voor ons normaal gesproken niet te verenigen zijn. Dat is ook het wonder. Bij Jezus kan het samengaan. Hij is God en mens. Dit wonderlijke samengaan is alleen al een reden tot aanbidding.


‘…en al Zijn weldaden’

Wie Christus heeft, heeft Zijn weldaden. Wat wordt er met dit wat ouderwetse woord bedoeld? Je zou het kunnen weergeven met het woord uit Ef1,3: 'geestelijke zegeningen.' Maar misschien moet het nog iets specifieker gesteld worden. Christus' weldaden omvat alle vruchten van Zijn middelaarswerk, het werk wat Hij heeft gedaan op aarde om God en mens bij elkaar te brengen. Dat begint met het komen naar de aarde; het is ook Zijn gehoorzaamheid aan de Vader tijdens Zijn rondtrekken over deze aarde, dat is Zijn gewillig vernederd worden door de mensen, met als dieptepunt Zijn lijden en sterven aan het kruis. Daar hoort bij Zijn opstaan uit de dood, en Zijn opvaren naar de hemel. Alle vruchten die op grond van dit werk voor ons beschikbaar zijn geworden, zijn de weldaden van Christus. Christus heeft ze verdiend, en Hij deelt ze uit. Waar moeten we dan aan denken? Calvijn noemt in Institutie II.16.19 een rij van deze zegeningen op (vetgedrukte woorden in onderstaande tekst):

'Indien men zaligheid zoekt, door de naam Jezus zelf wordt ons geleerd, dat ze bij Hem is; indien men andere gaven des geestes begeert, welke dan ook: in zijn zalving zullen ze gevonden worden; zoekt men sterkte: in zijn heerschappij is ze; reinheid: ze vertoont zich in zijn ontvangenis; goedertierenheid: in zijn geboorte, door welke Hij ons in alles gelijk geworden is, opdat Hij zou leren mede te lijden; zoekt men verlossing: in zijn lijden is ze te vinden; vrijspraak: in zijn veroordeling; kwijtschelding van de vloek: in zijn kruis; genoegdoening: in zijn offerande; reiniging: in zijn bloed; verzoening: in zijn nederdaling ter helle; doding des vleses: in zijn graf; nieuwheid des levens: in zijn opstanding; onsterfelijkheid: eveneens in zijn opstanding; beërving van het hemelse Koninkrijk: in zijn hemelvaart; bescherming, onbekommerdheid, overvloed en rijkdom van alle goederen: in zijn Rijk; een rustig afwachten van het oordeel: in de macht die Hem gegeven is om te oordelen. Kortom, daar in Hem de schatten van alle soort van goederen zijn, moeten ze tot verzadigens toe uit Hem geput worden en niet van elders.'

Dit alles behoort tot de rijkdom van het kind van God. Wat een overvloed! Het is voor ons de uitdaging, de kunst, de opdracht, het voorrecht, of hoe je het ook zien wilt, om uit deze zegeningen te putten. Zij zijn in Christus van ons. Tegelijk moeten we ze leren toe-eigenen en gebruiken.

De kerk van Christus staat vandaag voor de blijde taak om te leren zien wat Christus voor ons heeft verworven; om zich bewust te worden dat dat alles van hen is geworden, omdat zij deel hebben aan Hem; om hiervan stil te worden en God de dank en aanbidding te brengen; om deze rijkdom niet ongebruikt te laten liggen, maar er dankbaar gebruik van te maken. Wanneer wij de grote rijkdom ons te binnen brengen, en het alles overzien, beseffen wij dat wij niet met een beetje ervan kunnen leven. Het zou een belediging van het werk van Christus zijn. Wij strekken ons uit naar de volheid van Christus.

Wij kunnen er niet een ongelimiteerde hoeveelheid van ophalen en het in onze voorraadkamers opslaan. Het blijft altijd van Christus, daar moeten we het halen. Het is net als met het manna, dat elke dag opnieuw geraapt moest worden. Deze wetenschap houdt ons dicht bij Christus.

maandag 12 mei 2008

Geestelijke volwassenheid


Wat houdt geestelijke volwassenheid onder meer in?
- Dat je leert hoe alles te doen als christen.
- Een groei in realiteit, je beleeft meer en meer wat er in de Bijbel staat.
- Een groei in inzicht, in geestelijk inzicht (Hebreeën 5:14; 1 Kor 2:15)
- Een toename van geestelijke (levens)ervaring. Dan heb je allerlei dingen op geestelijk gebied al eens meegemaakt.

Bron: http://www.solcon.nl/schriftgezag/wordbest/basprak5.doc


dinsdag 6 mei 2008

De volheid van Christus (3) : Namen en ambten

Christus heeft een veelheid aan namen, die iets over Zijn wezen en functie zeggen. Wij kennen Hem vooral als 'Here Jezus Christus'. Deze drieledige naam of titel geeft een wereld van genade en heil weer.
De naam 'Here' wijst op Zijn machthebbende positie. Hij is Heer van de wereld, en Heer van de Kerk, van de gelovigen. Deze positie is Hem door Zijn Vader verleend. Als Heer heeft Hij recht op heel ons leven.
De naam 'Jezus' werd voorgeschreven door Gabriël, de gezant van God (Mt1,21; Lk1,31-33). Het wijst op het werk dat Jezus moest gaan doen: zalig maken (redden, bevrijden) van zonden. Jezus ging Gods heil aanbrengen.
De naam 'Christus' wijst op Zijn aanstelling : gezalfd. In het Oude Testament werden leiders door zalving aangesteld tot hun taak. Jezus is door God gezalfd tot profeet, priester en koning. Hij heeft de Geest gekregen om dit werk te kunnen doen (Js61,1 ev).
Profeet, priester en koning worden ook wel de ambten van Christus genoemd. De Heidelberger Catechismus spreekt in vraag 31 aldus:
Waarom wordt Hij Christus, dat is Gezalfde, genoemd?
Antwoord: Omdat Hij door God de Vader is aangesteld en met de Heilige Geest gezalfd tot onze hoogste Profeet en Leraar, tot onze enige Hogepriester en tot onze eeuwige Koning. Als Profeet en Leraar heeft Hij ons de verborgen raad en wil van God over onze verlossing volkomen geopenbaard. Als Hogepriester heeft Hij ons met het enige offer van zijn lichaam verlost en blijft Hij met zijn voorbede steeds bij de Vader voor ons pleiten. Als Koning regeert Hij ons met zijn Woord en Geest, en beschermt en bewaart Hij ons bij de verworven verlossing.
Wat in dit antwoord opvalt is de blijvende geldigheid van deze ambten, en het blijvende werk wat Christus via deze ambten ons ten goede verricht. De ambten openbaren een volheid van genade en heil in Christus, 'Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing' (1Co1,30).

vrijdag 2 mei 2008

De volheid van Christus (2) : Teksten

Calvijn schrijft over de weldaden van Christus. Deze zijn in Christus te vinden en worden ons door de Heilige Geest meegedeeld.
Deze weldaden behoren tot de volheid van Christus. Dat is een breed begrip. Je zou kunnen zeggen: al het goede, ware en schone wat er in Christus te vinden is. Hieronder een aantal teksten daarover:

Joh 1,14 - Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid [of: genade] en waarheid, en wij hebben zijn grootheid [heerlijkheid] gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader. (...) 16 Uit zijn overvloed [volheid] zijn wij allen met goedheid overstelpt.

Joh 10,10 - Een dief komt alleen om te roven, te slachten en te vernietigen, maar ik ben gekomen om hun het leven te geven in al zijn volheid.

Ro 5,17 - Als de dood heeft geheerst door de overtreding van één mens, is het des te zekerder dat allen die de genade en de vrijspraak in zo’n overvloed hebben ontvangen, zullen heersen in het eeuwige leven, dankzij die ene mens, Jezus Christus.

Ef 1,22-23 - Hij heeft alles aan zijn voeten gelegd en hem als hoofd over alles aangesteld, voor de kerk, 23 die zijn lichaam is, de volheid van hem die alles in allen vervult.

Ef 4,13 - totdat wij allen samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus.

Kol 1,19 - ...in hem heeft heel de volheid willen wonen...

Kol 2,9-10 - Want in hem is de goddelijke volheid lichamelijk aanwezig, 10 en omdat u één bent met hem, het hoofd van alle machten en krachten, bent ook u van die volheid vervuld.

De volheid van Christus (1) : introductie door Calvijn

Section 19. Conclusion of the whole chapter, showing that in Christ the salvation of the elect in all its parts is comprehended.

When we see that the whole sum of our salvation, and every single part of it, are comprehended in Christ, we must beware of deriving even the minutest portion of it from any other quarter. If we seek salvation, we are taught by the very name of Jesus that he possesses it; if we seek any other gifts of the Spirit, we shall find them in his unction; strength in his government; purity in his conception; indulgence in his nativity, in which he was made like us in all respects, in order that he might learn to sympathise with us: if we seek redemption, we shall find it in his passion; acquittal in his condemnation; remission of the curse in his cross; satisfaction in his sacrifice; purification in his blood; reconciliation in his descent to hell; mortification of the flesh in his sepulchre; newness of life in his resurrection; immortality also in his resurrection; the inheritance of a celestial kingdom in his entrance into heaven; protection, security, and the abundant supply of all blessings, in his kingdom; secure anticipation of judgement in the power of judging committed to him. In fine, since in him all kinds of blessings are treasured up, let us draw a full supply from him, and none from any other quarter. Those who, not satisfied with him alone, entertain various hopes from others, though they may continue to look to him chiefly, deviate from the right path by the simple fact, that some portion of their thought takes a different direction. No distrust of this description can arise when once the abundance of his blessings is properly known.

Uit Institutie (1559), boek II, hoofdstuk XVI.

woensdag 30 april 2008

Het volle heil (2) : voortgang

Een belangrijke spits, zo niet de belangrijkste, van Gods heilsplan is onze heiligmaking, ons vruchtdragen voor Hem. Daarin komt Hij aan Zijn eer (Jh15,8; Ef1,4; Tit2,14). In ons vruchtdragen komt het werk van de Geest in ons tot uiting. Uit onze daden blijkt dat wij verloste mensen zijn.
Het is opvallend hoe vaak in de apostolische brieven wordt aangespoord om gevolg te geven aan de bekering, aan de roeping tot het kindschap Gods. Paulus maant voortdurend aan om volgens het geschiede heil te leven (Kol2,6-7; Flp2,12-13). Ook Petrus doet dat uitgebreid (2Pe1,3vv). Het leert ons vandaag dat wij niet stil moeten blijven staan in het geloof. Het geloof moet actief beoefend worden, in het zoeken van gemeenschap met God, in woord en werk, in het doden van de zonde, in de liefde. Vertraging in het geloofsleven leidt tot verachtering (achterblijven) en uiteindelijk tot afval, zegt de schrijver aan de Hebreëen.
De voortgang in het geloof is te typeren met 'geestelijke groei'. Groeien in het geloof. Groeien in de genade. Groeien in de kennis van Christus (2Pe3,18). Groeien in de kracht van de Geest van Christus. Het is allerminst een losgroeien van Christus, of een losgroeien van het begin van het geloof.
De eerste beginselen (Hb5,12) moeten aangevuld worden met ‘vervolgselen’. Dit aangevuld worden betekent nooit en te nimmer dat er van ons iets bij de genade moet, of dat wij aan ons heil bijdragen (zo klinkt wellicht het ‘aangevuld worden’, maar het is in een ander kader dan de rechtvaardiging). Wel betekent het dat wij het heil in blijmoedigheid uitwerken, en dat we volwassen worden in het geloof. Zodat we ook anderen kunnen leiden tot Christus, voor het eerst en opnieuw. Zodat we elkaar kunnen onderwijzen en ondersteunen. De gemeente als leer- en groeigemeenschap.
Dat het heil ook zijn sporen gaat trekken in het vervolg van het leven van een christen, heeft consequenties voor onze visie op Christus. Niet alleen is Hij onze Redder, maar ook onze Heer. Hij is de Gekruisigde en Opgestane. Over de volheid in Hem hoop ik volgende keer te schrijven.

Het volle heil (1) : begin en voortgang

Het heil begint in de hemel, in Gods heilsplan. Het wordt bewerkt in de geschiedenis, door Gods reddende daden in de geschiedenis van Israël, en in de persoon van Jezus Christus. De gebeurtenissen waarin dat in het bijzonder tot uiting komt, worden de heilsfeiten genoemd. Daartoe behoren de geboorte van Christus, Zijn lijden en sterven, Zijn opstanding en Zijn hemelvaart. In deze gebeurtenissen is Gods heil geconcentreerd.
Het heil gaat vanaf het kruis en het open graf de wereld in. Het wordt persoonlijk, in de levens van mensen, die Jezus als Redder aannemen. De Bijbel zegt dat als iemand met de de mond belijdt dat Jezus de Heer is en met zijn hart gelooft dat God hem uit de dood heeft opgewekt, hij zal worden gered (Ro10,9-10). Hij wordt vrijgesproken van zijn zonde, en verlost van de macht van de duivel en de zonde, treedt in in de gemeenschap van God, en is deelgenoot van het eeuwige leven.
Zo is er een aanvang van het heil (in Gods plan), een bewerking van het heil (in de heilsdaden in Jezus), en een uitwerking van het heil (in de levens van mensen).

Het heil is in Christus. Het is de Heilige Geest die middels het geloof de mens verenigt met Christus. Dankzij deze eenheid deelt de gelovige in alles wat Christus te bieden heeft (weldaden). Zijn wijsheid, rechtvaardigheid, heiligheid en verlossing worden deel van de gelovige. De Heilige Geest werkt deze dingen uit in het leven van de gelovige.
Als het gaat om het persoonlijke heil, wat ik boven de uitwerking van het heil in de levens van mensen heb genoemd, valt er te onderscheiden in begin en voortgang. Het begin is als mensen door het geloof met Christus worden verbonden, in Hem worden ingelijfd. Dit is het moment van de wedergeboorte, het tot geloof komen, de bekering (dingen die niet hetzelfde zijn, maar in dit kader wel ongeveer samenvallen). De voortgang is het leven in en door het geloof, het leven in gemeenschap met Christus, het leven waarop de Geest Zijn stempel gaat drukken. Dat doet Hij door de weldaden uit Christus (Zijn heiligheid, Zijn gezindheid, Zijn genade, Zijn liefde, Zijn gehoorzaamheid) werkelijkheid te laten worden in het leven van de gelovige. Kruis en opstanding hebben betekenis voor het begin van het geloofsleven, en houden die in de voortgang van het geloofsleven. In het begin wordt de mens beslissend verbonden aan kruis en opstanding; in het vervolg werken kruis en opstanding steeds dieper op het leven in.

maandag 28 april 2008

De volle waarheid (3) : het volle heil

Wil men versmallingen vermijden, dan is het zaak breed te blijven. Het versmalde heil moet weer het volle heil worden. Wij moeten zicht krijgen op de volle raad van God, op heel Gods heilsplan. Dat is nogal een opgave. Het zou betekenen dat men oog heeft voor
(a) zowel de menselijke als de kosmische dimensie van het heil
(b) zowel de geestelijke als de lichamelijke en psychische kant van het heil
(c) zowel de tijdelijke als de eeuwige dimensie van het heil
(d) zowel de individuele als de collectieve uitwerking van het heil
(e) zowel het begin als de voortgang van het heil.
Voor het overige richt ik me op (e). Zich richten op één van de aandachtsgebieden is ook een versmalling, maar naar ik hoop geen versmalling waarbij de rest wordt veronachtzaamd!
Maar eerst: wat is heil eigenlijk? Waar hebben we het nu voortdurend over? Heil betekent redding, bevrijding. In de Bijbel is het God die Zijn volk redt. Inherent aan redden is dat men ergens uit of van gered wordt. Zo zien we in het Oude Testament dat God Zijn volk bevrijdt uit de slavernij van Egypte, dat Hij hen menigmaal redt van hun vijanden. In het eerste geval haalt God Zijn volk weg uit de dreiging; in het tweede geval haalt God de dreiging weg van Zijn volk. Redden is in het laatste geval ontdoen van. De redding uit de nood heeft een doel, namelijk een situatie creëren waarbij er geen dreiging is, waarbij alles goed is. Een toestand waarin mensen vreedzaam kunnen wonen. Aan Israël werd na hun bevrijding uit Egypte een goed land beloofd, waar ze in vrede (= sjaloom, wat in essentie heelheid betekent) zouden gaan leven. Dit is de spits van het heil: een heilzame situatie. In het Nieuwe Testament staat de redding uit/van de zonden centraal. Over Jezus wordt gezegd: 'Hij zal Zijn volk redden van hun zonden.' (Mt 1,21). Hij zal hen niet alleen redden van hun zonden, maar ook van de heerschappij van de duivel, en ook van de dood. In plaats daarvan zal God hun Heer zijn en zullen ze bevrijd leven. En God zal hun het eeuwige leven geven, wat verband houdt met het kennen van God (Jh 17,3). Gods doel vanouds met de mens is om in gemeenschap met hem te leven, en dat de mens Hem zou eren en prijzen. Het Nieuwe Testament maakt duidelijk dat de redding bereikt wordt door de dood en de opstanding van Jezus. Zo breekt Hij de macht van de duivel en de dood en de zonde. Degenen die Hij in Zijn dood en opstanding heeft meegenomen, worden gered.
In engere zin betekent heil dus de redding zelf, de handeling van God die reddend is. God is degene die in onze redding voorziet, Jezus is degene die de redding (teweeg) brengt, de Geest is degene die de redding effectief maakt. De Geest draagt ons als het ware in het heil en het heil in ons. In ruimere zin verwijst heil ook naar de bron ('God is mijn heil', Ps 27,1) en de uitkomst van de reddende actie. Zo noemen we het eeuwige leven het heil dat God geeft. De gaven die God geeft op grond van het heil, zijn heilsgaven. Een zeer belangrijke daarvan is de Heilige Geest. In dit licht is ook het leven in de toestand van bevrijd zijn, leven uit de bevrijding, heil te noemen. Het totale heil omvat dus de bron, de totstandkoming en de uitkomst van Gods reddingswerk. Wat dit voor gevolgen heeft voor de verschillende dimensies die ik genoemd heb, met name voor (e), hoop ik later duidelijk te maken.

woensdag 23 april 2008

De volle waarheid (2) : versmallingen

De volle waarheid, jawel. Hoe snel gaan we echter niet met een deel van die waarheid aan de haal? Misschien iets typisch menselijks, om één deel van de werkelijkheid te gaan benadrukken, koesteren, beschermen; op één aambeeld hameren in de smidse die wel zelf hebben ingericht. Zichzelf tot één ding beperken betekent vaak dat de andere op de achtergrond geraken. Concentratie is versmalling.
Ook als het gaat om het heil, de verlossing door God, ligt er een aantal versmallingen op de loer. Enkele voorbeelden:
(a) Men spreekt alleen over het heil van de mens. Wat dan wordt vergeten, is de universele reikwijdte van het verlossingswerk van Christus. Over dat aspect schrijft Paulus aan de Kolossenzen wondermooie dingen (met name Kol 1,15-20). God heeft in de verlossing de hele schepping op het oog. De schepping ziet uit naar de verlossing (Rom 8). Het gaat naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
(b) Als het gaat om het heil voor de mens, vindt soms de versmalling plaats dat het heil vergeestelijkt wordt. Het gaat dan over de ziel van de mens die gered moet worden. Het leven met God wordt dan omschreven in termen van geestelijke activiteit. Hier schuilt het gevaar van wereldmijdende devotie. Ascese waarbij het lichaam ten koste van de ziel wordt verwaarloosd is niet Gods wil. Het heil heeft totus homo, de totale mens op het oog. Men zal ook oog moeten hebben voor het ongeestelijke heil.
(c) Een andere versmalling kan hierin bestaan, dat men het heil vertraging laat oplopen. Hiermee bedoel ik dat men het zwaartepunt van de verlossing legt in de periode na de wederkomst, de tijd van de heerlijkmaking. Hier beneden is het niet, en zal het nooit iets worden, is kort gezegd het motto. Dat men daarmee het heil van zijn hier-en-nu-karakter ontdoet, behoeft geen betoog (2 Cor 6,2).
(d) Als het gaat om het heil voor de mens, kan nog een reductie plaatsvinden, en wel die van collectief naar individueel. Het komt hierop neer dat de leden in de Gemeente als geïsoleerde geestelijke eenheden worden gezien, die ieder een eigen geestelijk leven hebben te leiden en een eigen geestelijke strijd hebben te voeren. Dat de Gemeente in een dergelijke heilsvisie niet de plek krijgt, die zij op grond van de brieven van Paulus wel behoort te krijgen, doet groot tekort aan de richting van het heil.
(e) Als laatste wil ik dit noemen. Er vindt een ernstige inperking van het Evangelie plaats, wanneer men over het heil alleen maar spreekt in woorden van ‘vergeving van zonden’, ‘bekering’, ‘wedergeboorte’, ‘rechtvaardiging’, ‘verzoening’. Van de legitimiteit van het gebruik deze diep bijbelse woorden mag men niets afdoen. Zij verdienen een fundamentele plek in ons spreken over het heil, een heel centrale plaats in de Gemeente en de theologie. Wanneer men het echter bij deze begrippen laat, brengt men toch, hoeveel heil er in deze woorden ook besloten ligt, aan het Evangelie een pijnlijke verminking toe. Heiliging, geestelijke groei, goede werken behoren ook bij het heil dat God heeft voorbereid (Ef 2,10).

Ik som de dreigende versmallingen even op: een veronachtzaming van de kosmische reikwijdte van het heil (a), een vergeestelijking van het heil (b), een eschatologisering van het heil (c), een individualisering van het heil (d), een ‘verbeginseling’ van het heil (e).

De volle waarheid (1)

Johannes 16:13 De Geest van de waarheid zal jullie, wanneer hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid. (NBV)

Handelingen 20:27 ...want ik heb niet nagelaten u al de raad Gods te verkondigen... (SV)

J. Overduin: 'Het alfabet van het geestelijk leven omvat meer letters dan a.b.c.' (Worden als een man, 46)

Niet alleen sola scriptura, maar ook tota scriptura!

zaterdag 19 april 2008

In alles voorzien

Wat zouden we zijn en waar zouden we moeten blijven als we aan onszelf waren overgelaten om na onze verlossing zelf voor bronnen te moeten zorgen om het goede te doen? Zucht van verlichting: God heeft voorzien. En God voorziet. Zie deze rijke tekst:

2 Petrus 1: 3 Zijn goddelijke macht heeft ons alles geschonken wat nodig is voor een vroom leven, door de kennis van hem die ons geroepen heeft door zijn majesteit en wonderbaarlijke kracht.
4 Hiermee zijn ons kostbare, rijke beloften gedaan, opdat u zou ontkomen aan het verderf dat de wereld beheerst als gevolg van de begeerte, en opdat u deel zou krijgen aan de goddelijke natuur. (NBV)

Of wat dacht je hiervan:

Efeze 2:10 Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen. (SV)

Veel wandelplezier!

vrijdag 18 april 2008

Zonde, belemmering van het Christusleven

Stelling: Zonde moet in zoverre bestreden worden als dat het de geestelijke groei (dat is: het leven vanuit Christus) belemmert.

Achtergrond: Er wordt wel eens gedacht dat het op zichzelf goed is als de gelovige zijn zondiger aard meer leert kennen, en hoe hij langer hoe meer ertegen leert strijden. Mijns inziens krijgt de zonde hier teveel eer. We moeten ervoor waken dat we het niet als doel in zichzelf gaan zien dat de zonde beseft wordt. Zo zou hij juist teveel voet aan de grond kunnen krijgen. De zonde zal er als macht altijd zijn, en zal altijd proberen zijn invloed uit te oefenen. Wij moeten ons echter richten op wat boven is, waar Christus is. En wanneer onze 'leden op de aarde' ons van dit positieve doel afhouden, moeten ze gedood worden (Kol 3,1-5).

maandag 14 april 2008

Meesterlijk werk over geestelijke volwassenheid

Wij hebben hier te maken met een fijnzinnig stukje geestelijk inzicht, dat door ds. J. Overduin ten toon wordt gespreid. Inzicht in persoonlijk geestelijk en kerkelijk leven. Een wijze kijk op het psychologisch en het geestelijk volwassenzijn. Een boek uit 1967, dat zijn kracht nog lang niet heeft verloren. Worden als een man is een parel van grote waarde.


Enkele citaten:

'Gezonde groei in de volwassenheid impliceert een voortdurende openheid en ontvankelijkheid, zij het ook met kritisch vermogen, waardoor ook zelfcorrectie mogelijk is. Eén van de kenmerken van psychische volwassenheid is dus een vastheid gepaard met soepelheid.' (23)

'Wij kunnen het ook zo zeggen: Wie elke zondag steeds uitnodigend het a.b.c. van het evangelie laat horen: "Kom tot Uw Heiland, toef langer niet", maar niet laat zien wat het inhoudt en wat de consequenties zijn van het bij en onder de Heiland leven, geeft altijd melk. Het alfabet van het geestelijk leven omvat meer letters dan a.b.c. En toch is het zo, dat al laat Gods Woord ons ook d, e, f, ja x, y, z van het verlossingswerk in Christus zien, wij nooit kunnen zeggen: ik a.b.c. niet meer nodig. Wij hebben alle letters nodig om geestelijk te leven.' (46)

'De volheid en rijkdom van een geïntegreerd geestelijk leven is geheel afhankelijk van een vol antwoord op de volheid en rijkdom van Jezus Christus.' (56)

'Ik ben bevreesd, dat wij als predikers, de gemeenten weleens op een te laag niveau laten rondscharrelen. Hoe kort waren de Joden en heidenen tot geloof gekomen, en tóch laten de apostelen hen niet leven uitsluitend bij "de eerste beginselen", bij het a.b.c. van het evangelie, al mogen zij er ook telkens weer op terugvallen.' (64)

'De geestelijk volwassenheid wordt niet alleen gekenmerkt door een overwinnend verwerken van het lijden, de beproevingen, het levenslot, dat nu eens als een onoplosbaar raadsel de mens dreigt te verpletteren en dan weer als een kastijding en loutering wordt ervaren, maar zij manifesteert zich ook in een steeds rijpere levensstijl door de Heilige Geest.' (69)

'Het volle Woord was wel in Christus bij hen [de discipelen], maar het volle antwoord werd nog al te zeer gemist.' (73)

'De onvolwassene is bang de minder-aangename feiten te aanvaarden. Hij ontvlucht of idealiseert.' (117)

'De ware mondigheid is daar, waar God zijn mond opendoet en wij geloven en aanbidden.' (196)